Home / Brand op Oldengaerde op 30 juli 1911

Brand op Oldengaerde op 30 juli 1911

Oldengaerde verhaal langoed dwingelooHet onderstaande verhaal heb ik verteld tijdens een open dag van het Landgoed Oldengaerde in Dwingeloo. Het verhaal is gebaseerd op een brief die Aalt Willen Westra van Holthe op 4 augustus 1911 schreef aan ‘Eef’. We vermoeden dat deze ‘Eef’ zijn halfzus Eva van Dedem-Westra is. De landgoedeigenaar spreekt in deze brief zijn ongenoegen uit over de berichtgeving in de kranten over de brand in zijn grote schuur op de avond van 30 juli 1911. Hij schrijft Eva zijn eigen verslag van het gebeuren.

Het verslag in de brief in combinatie met enkele andere historische feiten die we over de bewoners van Oldengaerde op dat moment weten, hebben mij geïnspireerd tot het verhaal, zoals ik denk dat het die avond er aan toe gegaan is. Als u andere feiten kent, die het tegendeel bewijzen, ben ik daar natuurlijk enorm nieuwsgierig naar.

Door verhalen te vertellen aan de hand van de historische kennis die we hebben, gaat de geschiedenis weer leven en kunnen wij het weer meebeleven.

Brand op Oldengaerde

“Er is onweer op komst, Goof….. dat kan niet missen… Gisteren en vanmorgen was het nog bijzonder heet, zo rond de 35 graden en nu is het landgoed oldengaerde dwingelooweer zomaar omgeslagen en lijkt het bijna koud…. Als het maar niet gaat onweren, Goof. Ik heb het niet zo op onweer, dat weet je. Onze gebouwen zijn zo kwetsbaar dan….”

Aalt Willem Westra van Holthe

Het is 30 juli 1911. Aalt Willem Westra van Holthe, 79 jaar oud en eigenaar van Landgoed Oldengaerde staat in de ‘zaal’ zo vlak na het diner voor het raam en kijkt naar buiten. Al weken is het enorm warm en droog weer geweest met eergisteren en gisteren zelf uitschieters naar 35 graden in de schaduw. Hele dagen staat de zon hoog aan de hemel te branden. Het is in geen tijden zo droog geweest, geen druppel regen is er gevallen, al weken niet. Alles is droog, het gazon in de tuin, de weilanden waar de paarden staan, alles.

De oude, maar nog krasse man, draait zich om van het raam weg en kijkt naar zijn zoon, Johannes Govert en naar zijn dochters Roelina en Susanna, naar zijn schoondochter Wilhelmina Homan en naar zijn kleinkinderen. Ze zitten allemaal in de kamer rustig te wachten op de koffie, zo na het eten.

Johannes Govert staat op en komt naast zijn vader staan. Samen kijken ze naar buiten. Het is raar weer. Vanmorgen nog bloedheet en nu voel je de temperatuur drastisch dalen. Je voelt de spanning in de lucht. Die druk…. Als er onweer op komst is. Zelfs de vogels zijn doodstil. Donkere wolken pakken zich samen boven het Westeinde. Er steekt een wind op. Aalt Willem ziet de takken van de bomen aan de rand van de tuin heen en weer gaan.

“Opa, gaat het onweren? Ik ben bang voor onweer.” Zowel de oude Aalt Willen als zijn zoon Johannes Govert kijken opzij. Naast hen staat de kleine Ida. De jongste dochter van 5 jaar van Govert en zijn vrouw, Wilhelmina. Ze grijpt het handje van haar opa beet. Aalt Willem kijkt weer naar buiten. Het liefst had hij zijn kleindochter gerustgesteld en gezegd “nee, schatje, je kan zo lekker gaan slapen, er gebeurt niks.” Maar hij weet genoeg van het weer en van de tekenen in de lucht om te weten dat het wel degelijk gaat onweren en waarschijnlijk gauw ook.

Als Grietje, de dienstbode met het blad met de kopjes binnenkomt, horen ze buiten in de verte al het eerste rommelen. Kleine Ida rent direct naar haar moeder toe en klimt op schoot. Het is stil in de kamer. Niemand zegt wat, terwijl ze met zo veel zijn.

Weduwe van Mies van Baalen

Aalt Willem Westra van Holthe is in mei 1911 weduwe geworden. Sindsdien zijn zijn kinderen en kleinkinderen zoveel mogelijk bij hem. Maar toch….. Hij mist zijn lieve vrouw Mies van Baalen nog elke dag. En terwijl Grietje iedereen inschenkt, kijkt hij naar buiten. Hij mist haar vriendelijke gezicht. Hij mist de wandelingen die ze altijd samen door de tuin maakten. Hij mist haar wijze raad. Altijd dacht ze met hem mee in wat wel of niet verstandig was om te doen. Hij mist haar steun.

Hij is zo in gedachten, dat hij schrikt van die eerste lichtflits. Hij hoort de donder er al vlak achteraan. Het onweer komt steeds dichterbij. Hij wordt onrustig en zet zijn kopje terug op tafel en staat op. Weer gaat hij bij het raam staan en kijkt naar buiten.  Op dringend verzoek van zijn Mies heeft hij vorig jaar bliksemafleiders laten plaatsen, zowel op het woonhuis als op het dak van de grote schuur.  Als hij zijn ogen sluit, ziet duidelijk het ijzerdraadje lopen over de nok heen. Maar nu met het onweer zo dichtbij is hij er niet gerust op…. Nieuwerwetse snufjes vindt hij het… Hij moet nog maar zien of het werkt.

Het volgende ogenblik wordt Aalt Willem volledig verblind door weer een bliksemflits. Van schrik zet hij een stap achteruit weg bij het raam vandaan. Algauw volgt de donder… Het onweer is nu in volle hevigheid losgebarsten en niet zo zachtjes ook. Bliksemflits na bliksemflits volgen elkaar op met direct daarna de donderslag. Hij telt….21, 22… Er zit nauwelijks tijd tussen de flits en de donder. Het onweer moet pal boven het dorp hangen. Als het maar niet inslaat…..

Dan volgt een heldere flits en direct zo’n harde knal alsof iemand vlakbij keihard op een enorm groot blik slaat. De beide meisjes kleine Ida en Marie beginnen van schrik te huilen. De ramen trillen in de sponningen.  Ingeslagen… dat kan niet anders….

Blikseminslag

grote schuur oldengaerde luchtfotoZo snel als hij kan, loopt de oude Aalt Willem naar de voordeur om buiten te kijken waar het precies ingeslagen is. Zodra hij de deur open doet, zien hij het al. In het rieten dak van de grote schuur rechts van het erf is duidelijk het begin van een brand te zien.

Even staat hij aan de grond genageld….. Er schieten allerlei gedachten door zijn hoofd: “De grote schuur….. de paarden staan gelukkig in het weiland, die zijn veilig, maar veel materiaal en gereedschap ligt er wel in…. En het staat ook nog vlakbij het woonhuis. Dat rieten dak is gortdroog  en zal gemakkelijk branden…. En de houten constructie……”

Op het erf ziet hij Jan Kuijer al rennen, één van zijn landarbeiders. Kuijer rent naar de noodklok in het bouwhuis en begint dadelijk de bel te luiden. Schel klinkt het geluid boven het onweer uit, dat nu gelukkig in hevigheid afneemt, maar niemand let meer op het weer in de lucht. En dan komt de landgoedeigenaar ook in actie. “Goof, brand!!”

Op het geluid van de bel komen de buren en alle knechten en arbeiders die op dit moment ergens in de buurt van landgoed Oldengaerde

bouwhuis oldengaerde noodklok

bivakkeren aanrennen. Mannen en vrouwen, de oudste kinderen. Zodra ze zien wat er aan de hand is, rent iedereen weer terug naar huis om  emmers, potten en pannen en ladders te halen. Er wordt geschreeuwd en geroepen en iedereen loopt door elkaar. Het is één grote chaos op en rond het erf, maar dan klikt luid en duidelijk boven het lawaai uit de zware stem van Johannes Govert.

Hij sommeert de mannen alle ladders uit de wijde omtrek te gaan halen en naar de schuur te brengen. Een deel van de mannen zet de ladders binnen in de schuur tegen de houten balkenconstructie in de nok, zodat ze het riet van binnen uit nat kunnen houden en het vuur vandaaruit ook kunnen blussen.

Het andere deel van de ladders wordt buiten tegen de schuur geplaatst. Niet te dicht bij de brandhaard, want ook de ladders zijn van hout en gort droog door het droge weer.

In al het tumult kijkt Aalt Willem naar boven. Ging het maar regenen nu. Dat zou fijn zijn. Maar er valt geen druppel. Dan ziet hij zijn kleindochter Maria met het buurmeisje beduusd en angstig bij de voordeur staan. Ook de vrouwen en de oudste meisjes rennen rond om overal emmers, potten en pannen vandaan te halen die ze in de gracht kunnen vullen met water. Deze meisjes van net 8 jaar zijn hier nog te klein voor. Ze weten niet wat hen overkomt. Ze zijn bang voor het lawaai, bang voor het geknetter van het vuur… Hun moeders helpen hard mee, die zijn er niet om hen te troosten.

Brandspuit uit Dwingeloo

Dan realiseert Aalt Willem zich dat het geluid van noodklok natuurlijk nooit tot aan Dwingeloo reikt. In Dwingeloo is er een brandspuit en die zullen ze nodig hebben om de brand te blussen en om te zorgen dat het vuur niet overslaat op het woonhuis. De oude man ziet dat Govert de leiding over het blussen strak in handen heeft en hij loopt snel naar de meisjes toe. Zij moeten samen naar de Brink rennen en de brandweer van Dwingeloo waarschuwen.

Er was in 1911 een vrijwillige brandweer in Dwingeloo, net zoals nu. Zij beschikten over een brandspuit die op een kar stond, die getrokken werd door twee paarden. Van het Westeinde naar de Brink was het ongeveer 25 minuten lopen. De meisjes moeten samen rennen, rennen. Snel naar Dwingeloo. Snel de brandspuit hier zien te krijgen. Hoe eerder hoe beter…

De meisjes knikken, blij met de opdracht, blij dat ze kunnen helpen, maar ook blij dat ze weg mogen van al dat tumult op het erf. Het is nog licht en ze weten de weg. Hand in hand zetten ze het op een lopen, zo hard als ze kunnen.

Houten constructie grote schuur OldengaerdeAalt Willem richt zijn blik weer op het bluswerk op het erf. Er hebben zich inmiddels in en om de schuur zo’n 50 mannen verzameld die het bluswerk voor hun rekening namen. Govert verdeelt hen in twee groepen. De ene helft gaat de schuur in en zet hun ladders daar tegen de wanden en tussen balken. Vandaar uit houden ze het rieten dak van binnen zoveel mogelijk nat en blussen ze de vlammen die naar binnen schieten. De andere groep van ongeveer 25 man zetten hun ladder aan de buitenkant tegen de schuur. Zij blussen van buitenaf. Samen proberen ze alles nat te houden en te voorkomen dat het vuur zich verder uitbreidt. Steeds weer laait het op, steeds weer komt er vanuit een andere plek in het riet een vlammentong omhoog. Het riet is zo droog na al die droge warme weken.

Minstens zoveel vrouwen rennen in eerste instantie heen en weer om zoveel mogelijk emmers, potten en pannen te verzamelen. De eersten rennen algauw van de gracht naar de schuur met de eerste emmers water, die vervolgens door de mannen het dak op getild worden en de schuur ingedragen worden.

Langzaamaan ontstaan er op aangeving van Johannes Govert twee rijen met vrouwen, kinderen en nog enkele mannen die emmers met water doorgeven naar de schuur. De ene rij gaat naar de baanderdeuren om de mannen binnen te bedienen, de andere sliert vrouwen gaat naar de ladders die aan de buitenkant van de schuur verspreid staan. De jongere kinderen rennen met de lege emmers terug naar de gracht, terug naar het begin van de rij, vullen ze weer en geven ze weer door aan de eersten in de rijen. Steeds weer gaat dit door.

Dat doorgeven van de emmers met water moest snel gaan, maar ook secuur om niet al te veel water onderweg te morsen. Maar ook weer niet te langzaam, want dan laaide het vuur steeds weer op. Sneller en sneller ging het. Er ontstond een ritme in de rij. En al die tijd loopt Govert rond en houdt de regie op het blussen strak in handen.

Aalt Willem ziet dat zijn kleinzoons samen met andere jongens uit de buurt het gereedschap en andere waardevolle spullen uit de schuur aan het halen zijn. Trots kijkt hij naar zijn kleinzoon Aalt Willem van 14 en pal daarnaast zijn broer Johannes van 13. Flinke jongens die ook dapper steeds weer met de zware spullen sjouwen. Slim van ze, zo wordt er zo veel mogelijk materiaal gered.

Na een uur klinkt er hoefgetrappel op de keien van Westeinde. De brandspuit en de vrijwillige brandweer uit Dwingeloo komt er aan. In onze huidige tijd is een uur aanrij-tijd een eeuwigheid, maar voor die tijd was dat razendsnel. Zoals gezegd was het al 25 minuten lopen vanuit Westeinde naar de Brink en toen moest iedereen nog opgetrommeld worden en de paarden voor de spuitwagen gespannen.

Met de spuit erbij gaat het blussen nog beter. De oude Aalt Willen is nu niet bang meer dat de vlammen het woonhuis ook zullen bereiken.

Reparatie van het dak

We weten uit de brief van Aalt Willem aan zijn zus Eva dat het blussen en nablussen 3 uur geduurd heeft. Steeds weer sloegen er vlammen uit het dak. Van het rieten dak zal niet veel overgebleven zijn, maar de constructie van de schuur is vermoedelijk wel behouden gebleven. Aalt Willem heeft zijn zus een foto gestuurd om te laten zien hoe groot de schade was. Helaas is deze foto tot op heden nooit terug gevonden. Wel schrijft hij zijn zus dat het vermoeden bestaat dat de brand ontstaan is doordat de bliksem insloeg in een bosje ijzerdraad dat nog op het dak was blijven liggen.

Aalt Willem is verzekerd voor de schade. Op 1 augustus begrootte ‘Roelofs’ de brandschade op ongeveer 100 gulden. De landgoedeigenaar start direct met de reparatie van het dak van de schuur. Nog diezelfde dag –op 1 augustus dus- bestelt hij maar liefst 7300 rode pannen, 5800 blauwe smoorpannen en 200 blauwe scherpe vorsten en 160 panlatten van 28 meter. Voor hem geen brandgevaarlijk rieten dak meer.

En voor wat betreft de hoogte van de schade zat Roelofs er niet ver naast. Aalt Willem brengt de Overijsselse Onderlinge Brand Waarborg Maatschappij uiteindelijk 110 gulden in rekening.

De grote schuur….die staat er tot op de dag van vandaag nog, met aan de straatkant buiten het zicht vanaf het erf de goedkopere rode dakpannen. Aan de kant van het erf zichtbaar vanuit het woonhuis liggen de duurdere blauwe smoorpannen in dezelfde kleur als de pannen die op het dak van het woonhuis liggen.

Reageren op dit verhaal? Graag!

Top